Aller, faire, prendre en venir
Vier onregelmatige werkwoorden die je elke dag nodig hebt: gaan, doen, nemen en komen. Ze hebben gedeelde patronen: -ons en -ez, en dubbele n in prennent en viennent.
Waarom
Je bent op uitwisseling in Lyon. Hoe vertel je dat je met de bus naar school gaat en dat je vriend uit Namen komt?
Je hebt er meteen vier onregelmatige werkwoorden voor nodig: Je prends le bus. Je vais à l'école. Mon ami vient de Namur. Le soir, nous faisons nos devoirs.
Aller, faire, prendre en venir behoren tot de werkwoorden die het meest voorkomen in het Frans. Je hebt aller later ook nodig voor de nabije toekomst: je vais manger.
Zie het
Vier kaarten, één per werkwoord. Blader door de personen en kijk wat de werkwoorden gemeen hebben: -ons en -ez bij nous en vous, een dubbele n bij prennent en viennent.
Bij ils: vont en font eindigen op -ont, prennent en viennent krijgen een dubbele n.
Beschrijving van het beeld
Vier kaarten naast elkaar: aller, faire, prendre en venir. Op elke kaart staat de vorm bij de gekozen persoon, bijvoorbeeld bij ils: vont, font, prennent, viennent. De gedeelde patronen lichten op: vont en font eindigen allebei op ont, prennent en viennent hebben een dubbele n. Bij nous en vous lichten ons en ez op, met de uitzondering vous faites.
Snap het
Deze vier werkwoorden volgen niet de gewone regel van -er. Je leert ze uit het hoofd, maar ze lijken meer op elkaar dan je denkt.
Aller (gaan): je vais, tu vas, il va, nous allons, vous allez, ils vont. Bij nous en vous hoor je de infinitief nog, de rest begint met v.
Faire (doen, maken): je fais, tu fais, il fait, nous faisons, vous faites, ils font. Let op vous faites (zoals vous êtes) en ils font (zoals ils vont, ils sont, ils ont).
Prendre (nemen) en venir (komen) hebben dezelfde bouw: je prends, nous prenons, ils prennent en je viens, nous venons, ils viennent. Bij ils krijg je een dubbele n. Apprendre en comprendre gaan net als prendre, revenir en devenir net als venir.
In het enkelvoud eindigen je en tu op -s (je fais, tu prends). Bij il staat er -t (il fait, il vient) of, bij prendre, -d (il prend).
Aller: vais, vas, va, allons, allez, vont. Faire: fais, fais, fait, faisons, faites, font. Prendre: prends, prends, prend, prenons, prenez, prennent. Venir: viens, viens, vient, venons, venez, viennent.
Voorbeelden om te beluisteren
Je vais à l'école à vélo.
Aller bij je: vais.
Vous faites du sport le mercredi ?
Vous faites, niet vous faisez.
Mes parents font les courses au marché.
Ils font, net als ils vont.
Nous prenons le train pour Bruxelles.
Bij nous: geen d en één n.
Elles viennent de Charleroi.
Bij ils en elles: ie en een dubbele n.
Tu comprends la question ?
Comprendre gaat net als prendre.
Uitgewerkt voorbeeld
Vul in: Mes cousins ___ (venir) de Liège et ils ___ (prendre) le train.
Mes cousins zijn meer personen, zoals ils.
Venir bij ils: viennent, met een dubbele n.
Prendre bij ils: prennent, zonder d en met een dubbele n.
- Antwoord
Mes cousins viennent de Liège et ils prennent le train.
Doe het
Kies een niveau. Je krijgt telkens een nieuwe opgave, die meteen nagekeken wordt.
Valkuilen
Fout: Vous faisez vos devoirs.
Het lijkt logisch na nous faisons, maar het is vous faites. Alleen être, faire en dire hebben zo'n vorm.
Juist: Vous faites vos devoirs.
Fout: Ils allent au cinéma.
Aller eindigt op -er, maar het is onregelmatig. Bij ils is het vont.
Juist: Ils vont au cinéma.
Fout: Ils prenent le bus.
Bij ils en elles verdubbelt de n: prennent. Hetzelfde bij viennent.
Juist: Ils prennent le bus.
Fout: Nous prendons un café.
Bij nous en vous valt de d weg: nous prenons, vous prenez.
Juist: Nous prenons un café.
In het echt
- In de trein van Brussel naar Namen hoor je: Le train va partir. Prenez place, s'il vous plaît.
- Een vriendin uit Québec stuurt: Tu viens à ma fête samedi ?
- Op een bord in een Parijs park: Ici, on fait du sport ensemble tous les dimanches.
Aan tafel
Speel Cartes sur table. Schrijf aller, faire, prendre en venir op vier kaartjes en de zes personen op zes andere. Trek een kaart van elke stapel en zeg de vorm. Lukt vous faites of ils prennent in één keer, dan mag je de kaart houden.
Iets om samen te doen of over te praten, voor ouders en kinderen. Fouten mogen.