Passé composé met être
Een vaste groep werkwoorden, vooral van gaan en komen, maakt de passé composé met être: je suis allé. Dan past het deelwoord zich aan: elle est allée.
Waarom
Je vertelt een Franstalige vriendin over je reis naar Parijs met je zus. Hoe zeg je dat jullie met de trein vertrokken en laat thuisgekomen zijn?
Je zegt: Nous sommes parties en train et nous sommes rentrées tard. Bij vertrekken en thuiskomen gebruikt het Frans être, en omdat jullie twee meisjes zijn, krijgt het deelwoord -es.
Het goede nieuws: het Nederlands doet het vaak net zo. Je zegt ook ik ben gegaan, ik ben vertrokken, ik ben gebleven. Alleen de overeenkomst van het deelwoord is nieuw.
Kaft Plus wordt geopend…
Kaft Plus
De rest van „Passé composé met être” zit in Kaft Plus
De leerlijn en de eerste 3 onderwerpen van Toer zijn gratis. Met Kaft Plus open je alle onderwerpen en oefeningen.
Al Kaft Plus? Dezelfde knop meldt je aan en brengt je meteen terug.