Être en avoir: zijn en hebben
Être (zijn) en avoir (hebben) zijn de twee belangrijkste werkwoorden van het Frans. Let op: je leeftijd, honger en angst zeg je met avoir.
Waarom
Op kamp in de Ardennen vraagt een jongen uit Namen: Tu as quel âge ? Wat antwoord je?
Je zegt J'ai douze ans, niet Je suis douze ans. In het Frans heb je je leeftijd. Wie je bent, waar je bent en wat je hebt: daarvoor heb je être en avoir nodig.
Bijna elke Franse zin over jezelf begint ermee: Je suis belge. J'ai un frère. J'ai les yeux bleus. J'ai faim. Ook de verleden tijd (j'ai mangé, je suis allé) bouw je later met deze twee werkwoorden.
Zie het
Kies een persoon. Links zie je de vorm van être, rechts die van avoir. Onderaan staan de uitdrukkingen waar het Frans avoir zegt en het Nederlands zijn.
Beschrijving van het beeld
Twee kolommen naast elkaar: links être met je suis, tu es, il est, nous sommes, vous êtes, ils sont; rechts avoir met j'ai, tu as, il a, nous avons, vous avez, ils ont. De gekozen persoon licht op in beide kolommen. Onderaan kaartjes: ik ben twaalf wordt j'ai douze ans, ik heb honger wordt j'ai faim, ik heb het koud wordt j'ai froid, ik ben bang wordt j'ai peur.
Snap het
Être betekent zijn. Je gebruikt het voor wie of hoe iemand is en waar iemand is: Je suis belge, Elle est fatiguée, Nous sommes à Liège.
Avoir betekent hebben. Je gebruikt het voor wat iemand heeft: J'ai un chien, Ils ont un vélo.
Allebei zijn ze onregelmatig: je leert de zes vormen uit het hoofd. Je suis, tu es, il est, nous sommes, vous êtes, ils sont en j'ai, tu as, il a, nous avons, vous avez, ils ont.
Voor een klinker wordt je kort: j'ai, nooit je ai. Bij je suis gebeurt dat niet, want suis begint met een medeklinker.
Het lastigste: soms zegt het Nederlands zijn en het Frans avoir. Je leeftijd (j'ai douze ans), bang zijn (j'ai peur) en slaperig zijn (j'ai sommeil). Ook honger, dorst, het koud en het warm hebben gaan met avoir plus een zelfstandig naamwoord: j'ai faim, j'ai soif, j'ai froid, j'ai chaud.
Être: wie, hoe of waar iemand is. Avoir: wat iemand heeft, de leeftijd (j'ai douze ans) en gevoelens als avoir faim, avoir soif, avoir froid, avoir chaud, avoir peur, avoir sommeil, avoir raison.
Voorbeelden om te beluisteren
Je suis en retard.
Hoe het met je staat: être.
Nous sommes à Bruxelles.
Waar je bent: être.
J'ai douze ans.
Je leeftijd: avoir, en je wordt j'.
Tu as faim ?
Honger hebben: avoir faim.
Ma sœur a peur des chiens.
Bang zijn: in het Frans avoir peur.
Vous êtes prêts ?
Vous êtes, met een accent circonflexe op de eerste e.
Uitgewerkt voorbeeld
Vul in: Mon frère ___ quinze ans et il ___ toujours en retard.
Leeftijd zeg je met avoir. Bij mon frère (één persoon, zoals il) hoort a.
En retard zegt hoe iemand is: dat is être. Bij il hoort est.
Niet vergeten: na het getal komt ans.
- Antwoord
Mon frère a quinze ans et il est toujours en retard.
Doe het
Kies een niveau. Je krijgt telkens een nieuwe opgave, die meteen nagekeken wordt.
Valkuilen
Fout: Je suis douze ans.
In het Nederlands ben je twaalf, maar in het Frans heb je twaalf jaar. En vergeet ans niet.
Juist: J'ai douze ans.
Fout: Je suis froid.
Ik heb het koud is j'ai froid. Je suis froid betekent eerder dat jij zelf koud of afstandelijk bent.
Juist: J'ai froid.
Fout: Je ai un chat.
Je wordt j' voor een klinker. Je schrijft het als één geheel met een apostrof.
Juist: J'ai un chat.
Fout: Nous avons en retard.
Te laat zijn zegt hoe iemand is: daar hoort être bij, net als in het Nederlands.
Juist: Nous sommes en retard.
In het echt
- Bij de dokter in Luik: Tu as mal où ? En jij antwoordt: J'ai mal à la tête.
- Op een Franstalig verjaardagskaartje: Tu as onze ans aujourd'hui. Bon anniversaire.
- In een chat met een vriendin uit Montréal: Je suis à la maison, j'ai froid, il neige.
Aan tafel
Speel J'ai ou je suis ? Iemand zegt een Nederlandse zin over zichzelf, zoals ik ben moe, ik heb honger of ik ben elf. De anderen zeggen zo snel mogelijk de Franse zin. Wie avoir en être juist kiest, krijgt een punt.
Iets om samen te doen of over te praten, voor ouders en kinderen. Fouten mogen.